Terwijl de gedachten in mijn hoofd over elkaar heen tuimelen als met elkaar ravottende jongens is het hoog tijd dat ik weer eens een vingeroefing doe. Het is inmiddels alweer te lang geleden dat ik iets aan het papier toevetrtouwde. Ik voel me als een hardloper die onrustig wordt wanneer -ie geen kans heeft gezien zich aan zijn trainingsschema te houden. Bij mij is het niet een fysiek ongemak dat dan naar de oppervlakte komt drijven. Het is een sluimerend gevoel van onrust dat je niet kunt blijven negeren. En nu is het dan zover. In de trein, natuurlijk. Het is 10 februari 2012.

Eerst zou het een horrorwinter zijn deze keer. Het werd meer een verlengde herfst. Sinds de laatste mooie septemberdagen van 2011 is het herfst geweest tot en met januari. En toen kwam de vorst. En met de vorst komen de liefhebbers. Zij komen in grote getale bijeen op bevroren weiden, plassen, vaarten, overal waar het water het toelaat dat zich er een vetrouwde ijslaag op vormde.

Enkele nachten strenge vorst en dan wordt het E-woord uitgesproken. Wijze mannen komen bijeen en bespreken de voors en tegens. Was dit vroeger nog een friese aangelegeheid, nu houdt het een heel land, en zelfs journalisten in het buitenland, bezig. 3 Dagen duurde de Elfstedekoorst en toen was ie, samen met de dikte van de korst, gezakt. Het ging niet door want het was onverantwoord. En ik weet zeker dat ze daarin gelijk hadden. Want was was er gisteren gebeurd?

Zelf hoorde ik het pas gisteravond, toen ik mijn jongste net naar bed had gebracht. Op de bank zat mijn oudste zoon, 8 jaar, met mijn vrouw. Hij droeg kleren die ik nog nooit had gezien en was druk aan het vertellen. Ik ging naast hem zitten en kreeg een knuffel. “nou zeg het maar” hoor ik mijn vrouw zeggen. Mijn zoon kijkt naar me met zijn zo kenmerkende, bezorgde-doe-ik–het-wel goed-blik in zijn mooie ogen.

“ik ben door het ijs gezakt”, vertelt hij.

Hij was met zijn vriendje en de moeder van zijn vriendje de honden aan het uitlaten. (Een van de dingen die hij zo geweldig vindt aan zijn vriend, is dat ze daar vier teckels hebben. Hij is gek op dieren.)

Tot waar? Vraag ik en hij wijst. Tot aan zijn borst. Hij vertelt hoe het gegaan is en ik schrik toch onwillekeurig. Hoewel er nu niets aan de hand is, ga je toch nadenken over wat er had kunnen gebeuren-zinloos, maar het gaat vanzelf. Alle drie hebben ze uiteindelijk in het water gelegen. Ze hadden een plek te pakken waar het ijs, ondanks 10 dagen vorst, onvoldoende sterk was. En dat is behoorlijk schrikken! Direct in de auto, deken eromheen en naar huis. Warme douche, chocomel en droge kleren. En nu vertelt-ie mij het verhaal en ik knuffel hem.

Dat de gebeurtenis indruk heeft gemaakt blijkt als -ie later in de avond, wakker geworden, weer beneden staat. “Ik had een “nachtmerrie” . Verder geen commentaar. De duistere blik is er weer. Hij moet het zelf nog verwerken. Hij slaapt even later weer lekker.

We hebben naar een film zitten kijken zoals we dat op een doordeweekse avond weleens doen. We hebben erover gesproken en uitgesproken dat we blij zijn dat het ventje weer thuis is. We zijn gaan slapen. Toen ik wakker werd en in deze trein ben gaan zitten ben ik gaan schrijven .Hebben we alles uitgesproken?

Die wijze mannen hadden in ieder geval gelijk. Geen Tocht der tochten deze keer. Levensgevaarlijk.